Artikelindex

Nooit meer Eva’s Blues

 

Ik ben op weg naar Hamburg. Er is al weer een kwart jaar voorbij sinds mijn laatste bezoek. Ik Joe Grey, handelsreiziger in stekkertjes en kabeltjes, ben weer op weg om een paar relaties te bezoeken. Dezelfde relaties als toen. Op weg om mijn opvolger aan hen voor te stellen. Na mijn laatste verblijf in Hamburg is niets meer hetzelfde. Alles waarvan ik dacht dat het zekerheden waren die mijn leven in koers hielden, heb ik laten varen. Eén voor één aan de kant gezet. Misschien is het zelfs wel beter om te zeggen dat ik uiteindelijk mezelf heb gevonden. Ik ben in ieder geval een ander mens geworden. Ik zie op mijn navigatiesysteem dat ik nog een kleine driehonderd kilometer te gaan heb voordat ik bij hotel Horschbach ben. Ik heb ook nu weer een kamer voor twee nachten. Net zoals de laatste keer. Ik denk weer terug aan dat bezoek en mijn eerste ontmoeting met Eva. De gebeurtenissen van de voorbije maanden trekken aan mij voorbij.


‘Guten Tag, herr Grey, willkommen.’
De man achter de balie vroeg me of ik het formulier in wilde vullen.
Naam, paspoortnummer, creditkaartnummer. Hij verontschuldigde zich voor het ongemak, want hij wist natuurlijk wel dat het allemaal wel goed zat. Hij vroeg of ik nog speciale wensen had.
‘Nein, danke Stefan.’
Hij gaf me de sleutel met kamernummer negentien. Hotel Horschbach had twee sterren. Waar ze die vandaan hadden gehaald, was voor mij een raadsel. Het kon er net mee door. Het was er in ieder geval niet duur en dat was voor mij doorslaggevend. Het mocht van mijn baas niet al te veel kosten.
De kamers waren klein en sober ingericht. Een bed, weliswaar tweepersoons, een klein tafeltje en een douche waar je net in kon staan. Daar moest ik het mee doen. In dezelfde ruimte was een hoekje met een toilet ingericht. Met een beetje behendigheid kon je daar ook nog gebruik van maken. Dus de sterren waren ruim vergeven. Meestal verbleef ik er twee tot maximaal drie nachten. Het grote voordeel van hotel Horschbach was, dat het tegen het uitgaanscentrum van Hamburg lag. Met wat goede wil stond je binnen tien minuten midden tussen de restaurants, bars en dancings en even verder op was de Reeperbahn.
Ik had de volgende morgen twee afspraken en zoals gewoonlijk was ik van plan om pas de dag daarna terug te rijden. Mijn baas Bob had zich wel eens afgevraagd of dat niet anders kon, ook al gezien de kosten en blijkbaar in zijn ogen mijn lange afwezigheid. Mijn vaste antwoord was; ‘nee, dat kan niet anders…’
Hij liep dan in de meeste gevallen mopperend en mompelend terug naar zijn kantoor.
Ik werkte voor een bedrijf dat audio- en videokabels importeerde. Samen met de eigenaar Bob Herms hadden we een redelijke afzetmarkt opgebouwd. Ik deed de verkoop, hij de inkoop, distributie en de administratie. Verder was er nog een tijdelijke kracht, een meisje van een jaar of twintig, dat met de administratie hielp. Geen wereldbedrijf, maar verder wel oké. Ik vond mezelf het prototype van een verkoper die in het begin van de jaren zestig ook wel als handelsreiziger werd betiteld. Geen vlotte jongen met een vlotte babbel en een dikke leasebak, maar een grijze muis in een veel te grote slordige regenjas. Tevens eigenaar van een auto waar ik me eigenlijk niet mee kon vertonen. Maar het was wel mijn auto.
 ‘Ik zie de benzinebonnetjes wel verschijnen, maar wel even opschrijven waar je bent geweest. Voor de administratie, ’ zei Bob dan.
Soms raakte ik er wel eens een kwijt. Na een kwartiertje van felle discussie was hij dan wel genegen om het volgens hem voor de allerlaatste keer door de vingers te zien.
‘Volgende keer krijg je geen geld Joe Grey, als je dat maar weet.’
‘Dan ga ik wel op de fiets. Nou goed, ’ was mijn vaste antwoord en dat betekende dan tevens het eind van de discussie.
We konden het goed met elkaar vinden, hoewel het voor een buitenstaander soms wel even wennen was. De gesprekken tussen Bob en mij waren niet altijd van een hoogstaand niveau. We konden elkaar soms wel eens stevig de huid vol schelden. Zeker als het om het halen van het gelijk ging.
Bob was in kabeltjes begonnen op het moment dat de elektronica een grote toevlucht nam. Zo had hij een vaste markt kunnen opbouwen en hoewel het geen goudmijn was, konden we er met zijn allen redelijk van leven.
Nadat ik de man achter de balie had gegroet ging ik naar mijn kamer. Negentien. Ik had die kamer wel vaker gehad. Er zat in ieder geval nog een raam in, zodat er nog wat daglicht naar binnen kwam. Ik zette mijn reistas op het bed en haalde mijn mobiele telefoon uit de binnenzak van mijn jas. Geen berichten en geen gesprekken. Ik had hem meestal uitstaan of in het slechtste geval was de batterij leeg. Ik had wel altijd de oplader in mijn auto liggen en dat was al heel wat. Ik zag dat het inmiddels half zes was.
‘Mezelf even opfrissen en dan een hapje eten …’
Als ik bij het hotel links het zijstraatje inging, dan zat er halverwege dat steegje een prima Argentijns steakhouse. Voor weinig geld werd er een prima maaltijd geserveerd, ruim voldoende. Meestal meer dan ik op kon. Het smaakte me ook dit keer weer prima. Ik had sinds mijn vertrek uit Nederland niets meer gegeten. Ik had onderweg nog wel getankt, maar alleen een flesje fris meegenomen. Verder niets. Achteraf dom. Ik ben een onregelmatige eter. Soms realiseer ik me pas laat dat ik nog iets moet eten. Bob zei altijd dat ik er zo ook uitzag. Als iemand die slecht voor zichzelf zorgt.
Toen ik terugliep naar het hotel werd ik aangesproken door een meisje van rond de achttien.
‘Haben Sie keine Lust…?’ zei ze, nadat ik kenbaar had gemaakt dat ik geen prijs op haar diensten stelde.
‘Nein, nicht Heute…’
‘Morgen dann?’ hield ze vol.
‘Morgen auch nicht,’ en ik liep door.
‘Goh, het is ook wel heel erg lang geleden, dat ik met een meisje ben meegegaan,’ schoot het door mijn gedachten. Ik ging de deur van het hotel binnen en liep naar de bar.
‘Guten Abend. Ich mochte gerne ein Bier bitte.’  De man achter de bar tapte een biertje. Een halve liter. Er was niemand in de bar. Het was dan ook geen plek om de hele avond gezellig in rond te hangen. Maar goed, je kunt ook niet alles hebben.
Ik besloot nog maar een biertje te doen, toen een meisje de bar binnen kwam.
‘Hallo Hermann, bitte ein Tonic.’
Ze was een mooie meid van rond de vijf en twintig. Lange zwarte krullen en een mooi lichaam. De strakke jeans en het strakke naveltruitje accentueerden de ranke vormen van haar lijf. Ze keek me aan en ik keek in haar donkere ogen. Ze knikte en ging aan de andere kant van de bar zitten. Ik kon mijn blik maar moeilijk van haar af houden en was bang dat ze er wat van zou gaan zeggen. Ik draaide me iets van haar af en keek naar mijn glas, dat intussen weer vol voor me stond. Ondanks dat ik wel wat gewend was, voelde ik me niet op mijn gemak. Voordat ik het wist had ik mijn glas alweer leeg en ik realiseerde me dat gezien het tijdstip, het was nog tamelijk vroeg, het tempo naar beneden moest, wilde ik de volgende morgen niet met een spijker in mijn kop wakker worden.
‘Hermann, bitte noch ein Bier, und fuer die Dame wenn Sie dass wuenscht auch etwas zu trinken.’
Ik zag dat hij aan haar vroeg wat ze wilde drinken en hij knikte naar mij. Ze keek mij aan en ik voelde dat ik bloosde. Ze stond op en kwam naar me toe en stak haar hand uit.
‘Eva Winters…’
‘Joe Grey…’
‘Kom je uit Nederland? Niet echt een Nederlandse naam. Dan was het waarschijnlijk Jan Grijs geweest… Sorry, een beetje flauw van me.’
Haar stem was ietwat hees, maar klonk wel heel sensueel. Ik voelde me totaal niet op mijn gemak.
‘Wat brengt meneer Joe Grey naar Hamburg?’ ging ze verder.
‘Zaken, ik ben verkoper.’
Ik had mijn tong wel af kunnen bijten. Want wat is er triester dan een handelsreiziger aan de bar van een derdeklasse hotel. Op zoek naar gezelschap. Van huis, helemaal alleen, bijna eenzaam, niet begrepen door zijn klanten en geen krediet van zijn baas. Kan het nog erger. Ja, als hij ook nog een vrouw thuis heeft, die hem net gebeld heeft dat hun kind ziek is en hem eigenlijk verwijt dat hij er weer eens niet is. Dat probleem had ik niet, ik had geen vrouw noch een kind.
‘Zo…en wat verkoopt meneer Joe Grey?’
Ik moest slikken en probeerde op natuurlijke toon antwoord te geven.
‘Kabeltjes…snoertjes voor audio- en videoapparaten. In alle soorten en maten en kwaliteiten.’
‘En dat is wel opwindend…?’
Haar vraag sloeg bij me in als een bom. Ik zocht naar een antwoord. Wat kon ik verzinnen om hier nog iets van te maken.
‘Nee, niet echt, maar een mens moet wat in het leven… toch?’
Het was in mijn ogen weer een zwak antwoord en ik voelde me een beetje ongemakkelijk. Ik probeerde er nog wat van te maken.
‘Het is maar net wat je zoekt, wat je zelf leuk vindt.’
Ze keek mij aan en antwoordde, ‘zeker en wie ben ik… om te zeggen dat je geen leuke baan hebt.’
‘En wat doet Eva Winters voor de kost, als ik zo vrij mag zijn?’
Ze likte langs haar lippen en zuchtte diep.
‘Eva Winters trekt door Europa met een gitaar en een koffertje met wat kleding er in. Ik speel, tenminste als ik de mogelijkheid daarvoor krijg of heb, in bars en kroegen. Een éénmansband. Met alleen een gitaar en als er een beschikbaar is, een piano. En mijn stem uiteraard.’
‘Folk?’
‘Blues, tenminste meestal.’
‘Oh…’zei ik, ‘ik vind dat altijd wel mooi om naar te luisteren, maar het moet wel op het goede moment.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou, het is niet echt muziek voor feesten en partijen…toch?’
‘Nee’ lachte ze, ‘dat zou ook niet mijn ding zijn…om te spelen op feesten en partijen bedoel ik.’
‘Die indruk heb ik ook niet.’
Ik werd wat rustiger in mijn kop en Eva wenkte naar Hermann, de man achter de bar.
‘Hermann, noch einer bitte. Das selbe. Danke.’
Ze richtte zich weer tot mij.
‘Nou staan we weer gelijk. Maar vertel eens. Ben je getrouwd en heb je kindjes? Laat eens wat over jezelf los. Of vind je dat niet prettig…? Dan moet je dat gewoon zeggen hoor.’
‘Er valt niet zoveel te zeggen, geloof ik nu ik er over na denk. Ik doe mijn hele leven alleen maar saaie dingen. Zal misschien wel met mijn naam te maken hebben. Grijs zei je toch?’
‘Sorry, zo bedoelde ik het echt niet.’
‘Nou je hebt wel een punt. Ik ben bijna twee en vijftig. Niet getrouwd, geen kinderen voor zover ik weet, en dat is ook een flauw grapje…ik weet het. Ik reis wat door Duitsland, België en Nederland en probeer wat van die kabeltjes te verkopen, al twintig jaar lang.’
‘En daarvoor…?’
‘Daarvoor was ik verkoper van diervoeding… en daarvoor heb ik tien jaar gevaren. Van mijn achttiende tot mijn achtentwintigste. Toen was dat klaar.’
‘In elke haven een ander liefje?’
‘Wat heet, natuurlijk ging ik wel eens met een meisje weg. Maar ik was nogal verlegen, bescheiden. Dus wat anderen deden en vooral durfden, daar kwam ik niet bij in de buurt. Dus toch Grey.’
‘Toch niet gay, neem ik aan…’
Ik moest lachen toen ik haar vragende blik zag.
‘Nee niet gay, maar ook geen dekhengst.’
‘Nou dat is dan ook wel weer het andere uiterste.’
‘En jij Eva…?’
Ze nam een slokje van haar tonic.
‘Ja, en ik… Ik ben vanaf mijn zestiende onderweg en probeer aan de kost te komen met het maken van muziek. Eerst in een band en sinds een paar jaar reis ik alleen. Nou ja, met mijn gitaar dan.
Ik ben achtentwintig en ik ben al in geen tien jaar meer thuis geweest. Er is geen enkel contact. Dus hoe het er daar voor staat weet ik niet en ik mis het ook niet. Ik ben helemaal op me zelf aangewezen. Dus geen vriend, geen vriendin…noppes. Alleen mijn muziek. Dat is mijn leven. Mijn blues.’
‘Speel je alleen maar bluesnummers of doe je nog wat anders…?’
Ze keek me aan.
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik bedoel kun je er van leven?’
‘Mijn eisen liggen niet hoog en met het geld dat ik er voor krijg kan ik mezelf in leven houden. Kan ik benzine van kopen voor mijn Volkswagenbusje en ja…meer is er eigenlijk niet. Ik heb geen huis, geen hypotheek, geen pensioenverzekeringen en al dat gedoe. Alles wat ik bezit heb ik bij mij. Meer is er niet. Ik voel me er prettig bij. Ik pak de dag zoals hij komt. Het enige wat me boeit is of ik ergens kan spelen. Een avond zonder optreden is een avond niet geleefd. Zo voelt dat voor mij. Maar jij zult dat wel stom vinden of niet…?’
‘Ik moet zeggen dat ik het wel heel dapper van je vind. Het is nou laten maar zeggen, niet alledaags.’
‘Ik ben ook niet alledaags…’ en terwijl ze dat zei staarde ze voor zich uit.
‘Ben je niet eenzaam om zo op deze manier in het leven te staan? Tenminste ik zou het niet kunnen.’
Ze keek me recht in mijn ogen.
‘Hoeveel echte vrienden heb jij, Joe?’
Ik dacht na. Alleen Bob. Maar ja, hij was ook mijn werkgever.
‘Je hebt me te pakken, als ik het zo mag zeggen. Ik kan er niet één opnoemen…’
‘En jij vroeg of ik eenzaam was…? Nou, ik ben tamelijk eenzaam. Maar het is mijn eigen keuze. Soms denk ik er ook wel eens over na, over hoe het anders had kunnen zijn. Maar ik heb nu wel de vrijheid om te gaan en staan waar ik wil. Ik kan doen wat ik wil. Niemand die aan mijn kop zeurt, die wat van me moet. Ik hoef niet te zeggen dat ik hoofdpijn heb als ik eens geen zin heb in seks of zo. Of geen zin heb om uit te gaan. Ik maak het allemaal lekker zelf uit. Het is echt mijn leven. Helemaal van mij alleen. Snap je.’
Het was stil.
‘Ben je nu teleurgesteld? Had je andere gedachten toen je mij een drankje aanbood?’
‘Nee, dat is het niet. Ik was echt nergens op uit. Alleen het is zo, hoe moet ik het zeggen, zo verwarrend… om iemand die er zo mooi uit ziet, die nog zo jong is… te horen zeggen dat ze in principe niemand nodig heeft, het allemaal zelf wel uitzoekt.’
‘Er zijn er wel meer geweest die alleen maar voor hun muziek hebben geleefd. Maar ook schilders en schrijvers. Ik wil niet zeggen dat ik me met die grote mannen en vrouwen wil vergelijken, maar het gaat er maar om wat je belangrijk vindt, waar je jezelf in kwijt kunt.’
Ze keek op haar horloge.
‘Ik heb vanavond nog een optreden, als je zin hebt…?’
‘Lijkt me wel wat. Ik wil Eva wel eens op een andere manier leren kennen.’
‘Eve…dat is de naam waar ik onder optreedt. Mijn kunstje doe. Overigens om nog even heel duidelijk te zijn. Niks meer en niks minder dan alleen naar het optreden. Maar dat zul je wel gesnapt hebben.’
‘Niks meer en niks minder…afgesproken.’
‘Fijn’ zei ze, ‘dan ga ik me nu even opfrissen. Tot zo.’
‘Ja, tot zo…’
Ik dronk mijn glas leeg en tekende het bonnetje dat Hermann voor me had klaar gelegd.
‘Bis Morgen.’
‘Guten Nacht und bis Morgen.’

2