WAS

 

Het grote geheim van kasteel Okkervliet (4)

 

‘Professor, professor…’roept Elfje Knutsel opgewonden. ‘Professor, kijk hier zit een groot gat in de grond. Daar bij die boom. Misschien zit er wel een nest met vossen in.’
De professor loopt naar elfje Knutsel en buigt zich over het gat dat in de grond naast een boomstronk is gemaakt.
‘Konijntjes zo te zien,’ mompelt professor Knappebol.
‘Hoe weet u dat? Waar kunt u dat aan zien?’ vraagt elfje Bloem.
‘Dat kun je zien aan die keuteltjes. Kijk, daar liggen er nog meer.’
De professor wijst op de kleine groenbruine bolletjes die hier en daar in de buurt van het gat liggen.’
‘Het is een konijnennest. Ik ben er bijna zeker van. Ik zou niet weten…?’
‘Kunnen het ook haasjes zijn?’
‘Nou elfje Lief, haasjes bouwen niet zo’n nest. Of beter zo’n konijnenhol. Kijk, konijnen graven grote diepe gaten, eigenlijk zijn het tunnels. Daar gaan ze met hun gezinnetje in wonen, totdat de kleintjes groot zijn. De keuteltjes zijn eigenlijk een soort drolletjes. Die hebben ze liever niet in hun hol. Daarom liggen ze hier verspreid. Dat is eigenlijk ook wel logisch toch?’
‘Ja, dat lijkt mij ook wel,’ zegt elfje Boefje. ‘Stel je voor dat wij…’
‘Het is al goed hoor elfje Boefje,’ zegt elfje Lief die elfje Boefje maar even onderbreekt. Ze weet dat elfje Boefje zomaar een verhaal over drolletjes kan beginnen en dan is hij meestal niet meer af te remmen.
‘Maar goed professor, waarom kunnen het geen haasjes zijn, die hier wonen?’
‘Nou Elfje Lief. Haasjes bouwen hebben hun nesten meer in het veld. In een klein kuiltje in de wei. Dat noemen we een leger.’
‘Een leger?’
‘Ja, een leger. Dus niet zo eentje met soldaten en zo. Maar het is gewoon een nest in het veld.’
‘En gaan de kleine haasjes er dan niet vandoor?’
‘Eh, nee. Jij denkt natuurlijk aan het gezegde “er als een haas er van door gaan”, zegt de professor met een lach. ‘Nee, hoor ze blijven voorlopig maar even bij hun vader en moeder in de buurt. Dat is wel net zo verstandig en wel zo veilig.’
‘En kleine konijntjes?’
‘Die blijven ook bij hun ouders. Net zo lang totdat ze voor zichzelf kunnen zorgen. Daarna trekken ze de weide wereld in. Nou ja, ze gaan in ieder geval zelf op avontuur.’
‘Professor, en hoe zit dat bijvoorbeeld bij de mensen?’
‘Eigenlijk is dat een beetje hetzelfde. Mensenkinderen blijven ook bij de vader en moeder totdat ze voor zich zelf kunnen zorgen.’
‘Maar bij elfjes is dat heel anders,’ zegt elfje Zon
‘Vertel eens elfje Zon, hoe gaat dat bij elfjes?’
‘Nou eh, wij groeien in bloemen. Een soort tulpen. Als de blaadjes zich openvouwen dan… dan vliegen wij er op uit.’
‘Zo, zo.’ De professor krabt zich achter zijn oren. ‘Dat wist ik niet.’
‘Het klopt wel professor. Elfje Zon heeft gelijk. Wij groeien binnen in een bloem, het liefst in de bloem van een tulp. Maar het moeten wel hele grote tulpenbloemen zijn, ander lukt het niet het niet zo goed. Op het stampertje van de bloem legt de toverfee een klein elfjeszaadje en dan strooit ze een beetje toverstof over het zaadje. En als het goed is dan groeit daar een klein elfje uit. Zo piepklein, dat je zo’n elfje bijna niet kunt zien. Maar na een paar weken zijn ze net ze groot als wij nu zijn. Het is bijna een wonder.’
‘Dat geloof ik graag elfje Lief,’ zegt de professor verbaasd. ‘Ik heb dit echt nooit geweten. Zo zie je maar weer, je bent nooit te oud om te leren.’
‘Zo is dat,’ zegt elfje Knutsel. ‘Maar gaan we nu weer verder. Die konijnen laten zich toch niet zien.’
‘Dat verwacht ik ook niet,’ zegt professor Knappebol. ‘Ik denk dat ze allemaal in een diepe slaap zijn. Laten we dan maar verder lopen. Er valt onderweg nog wel het een of ander te zien.
De elfjes zijn het met de professor eens en samen gaan ze weer op pad, richting  kasteel Okkervliet.

.

 

Heb je ook een idee voor ELFJE LIEF,stuur een email naar This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it. ( een mooie tekening vinden we ook leuk en de mooiste zetten we op de website van Elfje Lief.)

 

WAS