Henneman

 

Al doende leert men ( in de supermarkt)

 

Het heeft even geduurd, een jaar of zeven als ik de geleerden mag geloven. Heus waar, Nederland heeft een hittegolf achter de rug en het lijkt er op dat er nog meer zon in de pijplijn zit. Voor degenen die op het laatste moment besloten hebben om een vakantie te boeken naar een zonnig exotisch paradijs of met de caravan en tent Nederland ontvlucht zijn, is het misschien wat zuur, maar voor de achterblijvers is het genieten van deze mooie zonnige momenten. Nou ja genieten… soms heb je wel eens een minder momentje.
Achter mij stond een man van een jaar of vijfenzeventig. In de rij voor de kassa bij Albert Heijn. Het was er behoorlijk druk, ondanks de warmte buiten.
‘Ze mogen voor mij rustig aan doen,’ zei hij zo maar ineens.
Ik keek hem vragend aan. Meestal hebben oudere mensen haast. Ik heb vaak de indruk dat ze denken dat ze voor de laatste keer in de rij staan. Maar goed, deze man had blijkbaar alle tijd.
‘Ja meneer,’ zei hij.  ‘Hier is het tenminste lekker fris. Ik kom de laatste dagen als het even kan hier snel even een boodschapje doen. Niet dat ik het echt nodig heb hoor, maar het is hier zo lekker koel. Daar knap je weer wat van op. Wij ouderen kunnen er niet zo goed tegen, tegen de warmte bedoel ik.’
‘Dat is het zeker. Het is hier inderdaad lekker koel,’ zei ik om er vervolgens totaal overbodig aan toe te voegen dat dit door de airco kwam.
‘Dat weet ik ook wel,’ zei de man in de rij en hij wilde mij eigenlijk zeggen dat hij niet van gisteren was en dat hij ook nog geen tekenen van dementie vertoonde.
‘Bij ons in het tehuis hebben ze ook airco, maar die mag niet vol aan. Er zijn er een aantal die daar niet tegen kunnen. Die worden er verkouden van en ja… met oudere mensen is het opletten.’
‘Dat is inderdaad soms niet zo gezond voor ze,’ zei ik. ‘Maar u zit toch niet in een verzorgingstehuis? Zo oud bent u toch niet?’
Het klonk wat slijmerig, maar het was niet zo bedoeld.
‘Hoe oud denkt u dat ik ben?’ vroeg hij en ik zag zijn ogen twinkelen.
‘Een jaar of zeventig, misschien net aan vijf en zeventig,’ was mijn uiteindelijke conclusie.
‘Zes en tachtig,’ antwoordde hij triomfantelijk. ‘Zes en tachtig meneertje, dat zou je mij niet hebben geven. Wees eens eerlijk.’
Ik was eerlijk en ik kon het alleen maar met hem eens zijn.
‘Zo zes en tachtig…’ antwoordde ik verbaasd.
‘Ja, zesentachtig. Maar het is niet allemaal koek en ei. Met mijn gezondheid bedoel ik. Anders had ik ook niet in dat verzorgingstehuis gezeten. Mijn rikketik is af en toe van slag en eten gaat ook niet meer zo goed. Maagproblemen meneer.’
Ik knikte en keek met een schuin ook maar eens naar de voortgang bij de kassa. Er zat nog niet veel schot in, ook al omdat een dame van middelbare leeftijd tot de conclusie was gekomen dat ze in de rij stond waar alleen maar kon worden gepind en dat was nou net was ze niet kon. Dus daar werd even naar een oplossing gezocht. Zoals het leek kon dat nog wel een minuutje of wat aanlopen en daarmee was er nog ruim tijd om mijn gesprek met de zesentachtigjarige voor te zetten.
‘Ja zo gaat dat. De ouderdom komt met gebreken,’ stelde ik vast.
De man keek mij geringschattend aan.
‘Ik heb dit anders al vanaf mijn zestigste,’ zei hij een beetje verongelijkt.
‘Zo, dat is al een hele tijd.’
‘Ja, overgehouden aan mijn werk. Ik was schilder meneer. Mooi beroep, maar met al die chemische rommel wel link. We keken indertijd niet zo nauw. Niks arbo en zo. En nou zitten we ermee, ik althans. Een collega van mij, waarmee ik altijd ging klussen is al jaren dood. Zijn longen waren helemaal kapot. Ook wel door het roken hoor. Hij heeft bijna een jaar aan zo’n zuurstofapparaat gelegen.’
‘Dat is triest meneer,’ antwoordde ik.  ‘Ja, er werd indertijd niet zo goed opgelet.’
Ondertussen was de dame van middelbare leeftijd uit haar lijden verlost en ze was nu drukdoende om haar boodschappen in haar tas te stapelen. Ze had daarmee gewacht tot het moment dat ze er zeker van was dat ze haar aankopen ook daadwerkelijk mee mocht nemen. Het viel me op dat de rij wachtenden lijdzaam de situatie onderging. Er was nauwelijks commentaar behalve dan van één mevrouw. Die wees nadrukkelijk naar het bordje boven de kassa.
‘Het staat er toch duidelijk. Alleen pinnen. Dat hangen ze er niet voor niets neer,’ mopperde ze, maar daar liet ze het dan ook bij.
De gewezen schilder zocht zenuwachtig in zijn broekzak. Blijkbaar zonder succes. De andere broekzak werd vervolgens aan een zorgvuldige controle onderworpen en ook dit bracht blijkbaar niet het gewenste resultaat. Hij keek naar de twee blikjes bier en het pakje gevulde koeken die hij net op de band had gelegd. Vervolgens keek mij aan.
‘Ik ga het maar even terugleggen. D’r zit niets anders op.’
De teleurstelling was van zijn gezicht te lezen.
‘Ik geloof dat  ik mijn portemonnee thuis heb laten liggen,’ legde hij uit. ‘En bovendien, aan pinnen doe ik niet.  Dat is mij te ingewikkeld.’
‘Bij de andere kassa kunt u wel contant betalen,’ probeerde ik nog.
‘Dat weet ik ook wel meneer, maar het is even niet anders. Ik heb verder geen geld op zak. Maar goed, dan wandel ik straks nog wel een keertje deze kant op, ondanks de warmte.’
Ik haalde mijn schouders op en zag dat hij op het punt stond om uit de rij te stappen.
‘Zal ik het voor deze keer maar voor u afrekenen?’ zei ik in een vlaag van barmhartigheid. Het was tenslotte maar een minimaal bedrag en ik vond het vervelend voor de oude man.
‘Dat zou fijn zijn meneer,’ zei hij. ‘Maar dat kan ik niet van u vragen.’
‘Geen probleem,’ antwoordde ik joviaal. ‘Dat zal ik toch wel overleven, denkt u ook niet?’
Toen we uiteindelijk bij de kassa waren aangekomen en ik ook zijn twee blikjes bier en zijn pak gevulde koeken had afgerekend groette hij me nadat hij mij uitbundig had bedankt.
Bij de uitgang van de supermarkt stond een leeftijdsgenoot van de man te wachten.
‘En Karel heb ik de weddenschap gewonnen?’ vroeg hij.
‘Mooi niet,’ hoorde ik de man zeggen. ‘Ik zei toch dat er altijd wel iemand is die er in trapt.’

 

Jacob Henneman