Henneman

Al doende leert men

vrouwen


‘Mooi weertje vandaag,’ zei de man op het bankje. Hij genoot zichtbaar van zijn sigaar. Zo’n dikke bolknak, die mijn vader vroeger ook nog wel eens op zondagmiddag na het eten opstak.
Ik herinner me nog hoe de dikke zware rook zich tergend langzaam in de gordijnen vrat. De dikke velours overgordijnen, die dan ook steevast om de vier weken door mijn moeder werden gereinigd. Een karweitje dat met een hoge mate van zorgvuldigheid werd uitgevoerd om te voorkomen dat de afmetingen na zo’n behandelbeurt beduidend anders zou zijn. Maar goed dit terzijde.
De man blies mooie kringelende rookpluimpjes de wijde wereld in.
‘Zeker,’ antwoordde ik. ‘Het kan blijkbaar niet op.’
Het was tenslotte al ruim een week prima weer. De zon wist van geen ophouden en alleen in de avonden was het een beetje trekkerig. Maar goed, een mens kan niet alles hebben.
‘En ook een mooi sigaartje meneer,’ voegde ik er vervolgens aan toe.
De man knikte en was zichtbaar ingenomen met mijn compliment.
‘Ja, ze zeggen dat het niet goed is voor een mens en daar zullen ze ook wel gelijk in hebben. Het zal ook wel niet zo gezond zijn, maar je kunt er wel oud mee worden. Ik wel tenminste. Hoe oud denkt u dat ik ben?’
Ik vond het moeilijk, zoals ik het altijd moeilijk vind om de leeftijd van iemand te schatten. In het verleden is regelmatig door mijzelf bewezen, dat ik daar niet goed in ben en dat is dan nog mild uitgedrukt. Hoe vaak was mijn inschatting te gênant voor woorden. Ik heb vrouwen van dertig met gemak als ruim veertiger neergezet en heb meisjes van dertien ruim twintig laten zijn.
Ik heb er niks mee, met het schatten van leeftijden bedoel ik en ik kan er ook niks mee.
‘Ik vind het lastig om te schatten hoe oud u bent,’ zei ik tegen de man die vol van verwachting op mijn antwoord zat te wachten. Aan zijn blik kon ik al zien dat wat ik ook zou zeggen, het op voorhand duidelijk was dat ik er ruim naast zou zitten. Maar ik wist ook dat er geen ontkomen aan was.
‘Uh, ik denk ergens midden zeventig,’ kwam er voorzichtig over mijn lippen. Mijn antwoord zat vol met twijfels en gespannen wachtte ik op de corrigerende opmerkingen die ongetwijfeld zouden volgen.
De man op het bankje zuchtte. Er verscheen een glimlach op zijn gezicht.
‘Meneer, tweeënnegentig, bijna drieënnegentig. Over zes weken is deze jongen weer jarig. Dan word ik toch echt drieënnegentig.
‘Nou dat had ik u echt niet gegeven. Tjonge, u ziet er nog wel heel erg jong uit voor uw leeftijd.’
‘Dank u wel,’ zei de man en hij nam nog maar eens een flinke trek van zijn sigaar.
‘Ja,’ ging hij verder. ‘Ik woon ook nog steeds zelfstandig. Ik kan alles nog zelf. Behalve strijken en poetsen, dat heb ik nooit gekund. Daar heb ik iemand voor, van de zorg. Maar voor de rest red ik me nog prima.’
‘U woont ook nog zelfstandig?’ herhaalde ik zijn woorden.
‘Dat heb ik u toch net nog gezegd,’ was zijn ietwat bitsige reactie.
‘Jawel, dat klopt, maar ik wilde alleen maar even mijn verbazing uitspreken. Heel bijzonder,’ voegde ik er snel aan toe.
‘Ja meneer, mijn vrouw is al weer tien jaar dood. Hartproblemen. Elke week ga ik nog even naar het kerkhof, even een bloementje brengen, tenminste als het weer goed is. Nu is het veel te warm. Dan heeft het geen zin. De bloemen kun je na een paar uur weggooien. En natuurlijk ook niet als het vriest of als het regent.’
Ik wilde een opmerking maken dat al deze omstandigheden in aanmerking nemende er al met al van een wekelijkse regelmaat niet veel overbleef, maar besloot toch maar wijselijk mijn mond te houden. Mijn sarcasme verdiende deze man niet.
‘Ik heb nooit meer een ander gehad,’ ging hij verder. ‘Niet dan ik geen kans heb gehad. Nee, er waren er genoeg.’
Ik probeerde me voor de geest te halen hoe hij dit bedoelde. Ik nam maar aan dat hij wilde beweren dat hij kansen genoeg had gekregen om een nieuwe relatie aan te gaan. Ik keek de man aan en rekende terug dat hij tweeëntachtig was toe zijn vrouw hem was ontvallen. Ergo, in de periode na zijn tweeëntachtigste was hij dus nog steeds gewild bij het andere geslacht. Hoewel hij er niet slecht uit zag kon ik me daar niet echt een goed beeld bij vormen. Mijn conclusie was dan ook dat hij of schromelijk overdreef of dat hij in het bezit was van een goed gevulde portemonnee en een dito spaarrekening. Anders kon ik het niet verklaren. Ook vroeg ik mezelf tegelijkertijd af of hier sprake was van afgunst, gewoon dus van ordinaire jaloezie. En dat dan wel van mijn kant.
Hij nam nog een trekje van zijn sigaar en keek mijmerend voor zich uit.
‘Een vriend van mij is er wel ingetrapt. Hij heeft me nog om raad gevraagd, maar ja liefde maakt blind. Ik heb het hem nog zo afgeraden. Hij kende dat vrouwtje nog van vroeger. Ze had bij hem in de straat gewoond. En meneer, u weet wel hoe het gaat. Zijn vrouw pas overleden, hij alleen en onbeholpen. Zij slim en aanhalig en vooral inhalig. Ja, dan kun je het niet meer tegen houden. Dan is er geen redden meer aan. Zijn kinderen hadden hem nog gewaarschuwd. En ik ook. Ik had hem nog zo gezegd dat hij er eerst maar eens goed over moest nadenken. Maar ja, hij was boos geworden en was vervolgens weggelopen. Af en toe kwam ik hem nog wel eens tegen in het dorp, maar dan draaide hij zijn kop om. Hij negeerde me volkomen. Maar ja, hij had mij tenslotte gevraagd wat ik er van vond. Dan had hij mij dat ook niet moeten vragen.’
‘Zeker,’ zei ik om de man te laten blijken dat ik het volledig met hem eens was en dat ik ook vol interesse zijn verhaal volgde.
‘Ja meneer en dan komt het. Dan wil zo’n vrouw bij je komen wonen. Zo gebeurde dat ook bij mijn vriend. Zijn kinderen hadden het hem toch zo afgeraden, maar ja…’
‘U zei het al, liefde maakt blind,’ voegde ik er totaal overbodig aan toe.
‘Toen ze goed en wel bij hem was, toen moet het zijn begonnen. Zijn meubels moesten er uit en er kwam andere vloerbedekking. Het behang moest er af, want dat vond ze verkleurd, een beetje vergeeld. Hij rookt namelijk ook af en toe een sigaartje, vandaar.’
‘Tja, zo kan het gaan…’
‘Meneer, zo kan het niet alleen gaan, zo is het gegaan,’ zei hij licht geïrriteerd alsof hij mij wilde wijzen om niet te lichtvaardig om te gaan met de ellendige situatie waar zijn vriend in verzeild was geraakt.
‘Een week of wat geleden kwam ik hem tegen. Hij was helemaal overstuur. Hij jankte als een klein kind. Hij vertelde me dat hij haar buiten had gegooid. Het huis uit. Meneer, die vriend van mij heeft in heel zijn leven niet één verbaal gehad en dankzij die vrouw kwam de politie aan de deur. Ze hebben hem meegenomen naar het bureau. Tjonge wat was hij overstuur. Enfin, om een lang verhaal kort te maken, het zat zo. Ze had van hem geëist dat hij de fauteuil die hij samen met zijn eerste vrouw ter gelegenheid van hun vijfendertigjarige huwelijksdag had gekocht, naar de kringloop zou brengen. Die fauteuil moest het huis uit. Hij vertelde dat dit de druppel was geweest. Hij had haar beet gepakt, de voordeur open gemaakt en hij had haar naar buiten gekieperd. Ze had gekrijst of haar leven er van af hing en daarom had een van de buren de politie gebeld. Ja, en dan zijn ze er zo, maar als je ze echt een keertje nodig hebt… enfin. Ze heeft aangifte gedaan van bedreiging en mishandeling. Meneer, hij was er echt kapot van. Hij heeft nog nooit een vlieg kwaad gedaan laat staan…’
Hij nam weer een flinke haal van zijn sigaar.
‘Een zodoende meneer. Laat mij maar lekker alleen blijven, dat is wel net zo veilig. Voor hetzelfde geld gooien ze mij buiten.’
‘Het zou zomaar kunnen,’ zei ik.
‘Kom, ik stap maar weer eens op,’ zei hij.
En terwijl hij voorzichtig de as van zijn sigaar klopte keek hij me nog eens aan.
‘Meneer, je wordt niet voor niets tweeënnegentig, al doende leert een mens. Nog een mooie dag verder.’
‘U ook nog een mooie dag meneer,’ zei ik en ik zag hem met kranige passen het parkje uit lopen.

 

 

 

Jacob Henneman