Henneman of Heijmans  

 

Jacob Henneman  -  BOOTTOCHTJE

Een vriend van me was vorige week samen met zijn vrouw naar Zw. in O. afgereisd, met de intentie (opnieuw) kennis te maken met deze fraaie stad. Ze waren er al eens eerder geweest, maar blijkbaar was er reden genoeg om weer een nieuwe poging te wagen. Ondanks het tegenvallende weer hadden ze samen het oog laten vallen op een rondvaart door de grachten, die Zw. in vroegere tijden hebben beschermd tegen ongewenste opdringerige onverlaten, die de stad ook met een bezoekje wilde verrassen, maar wel met een andere bedoeling. Er werd weliswaar geshopt, maar van afrekenen was geen sprake. Maar goed, zand erover, de tijden zijn veranderd. Terug naar de rondvaart.
Hier volgt in grote lijnen het relaas van mijn vriend en zijn vrouw.

De boot die voor ons klaar lag was nou niet echt een boot, maar verdiende eigenlijk meer te worden bestempeld als een veredelde sloep. Eerst waren we met een man/vrouw of twaalf en daar leek het bij te blijven. We vroegen ons af wanneer de stuurman, want het bootje was veel te klein om de man te kunnen betitelen als kapitein, van wal zou steken. Het duurde en duurde en blijkbaar wachtte de man nog op een aantal gasten, die op zijn inschepingslijst stonden. Stoïcijns keek hij voor zich uit en hij bleef wachten en wachten… totdat uit een cafeetje dat zich op de linker wal bevond twee stellen kwamen aangeslenterd. Enfin twaalf plus vier maakt zestien, dus nu leek het toch wel dat het moment van “de trossen los ”aanstaande was. De boot was al tamelijk vol. Maar nee hoor, onze stuurman keek nerveus om zich heen, en keek vervolgens op zijn horloge, waarop hij blijkbaar zag dat de voorgenomen vertrektijd toch wel ruim zou worden overschreden als hij niets ondernam. Maar… hij ondernam vervolgens niets en hij friemelde wat aan de knopen van zijn zeemansjasje. Dat was het, daar bleef het bij.
‘Wanneer vertrekken we meneer?’ vroeg een oudere dame voorzichtig.
‘Er moeten er nog een paar komen en dan kunnen we gaan varen,’ antwoordde de man, die vervolgens weer zijn horloge raadpleegde, waarvan de grote wijzer nauwelijks een minuut verder was sinds zijn vorige raadpleging.
‘Ze kunnen er elk ogenblik zijn,’ voegde hij er haastig aan toe.
En hij kreeg gelijk, want van de andere kant kwam een gezelschap met veel lawaai naar de brug gewaggeld, waar onze boot lag. In de gauwigheid telde ik tenminste zestien zielen. Midden zestigers waren het, die blijkbaar eerst een stevige neut hadden genomen, om vervolgens tot inscheping over te gaan. Nou kan ik me voorstellen dat bij het zien van het bootje het zeker een overweging zou kunnen zijn geweest om eerst maar eens stevig in te drinken. Alleen al het idee dat het bootje volledig zou worden gevuld met tenminste dertig mensen, met een gemiddeld gewicht dat aanzienlijk hoger was dan dat van bijvoorbeeld Dautzen Kroes, om maar eens iemand te noemen, zou een mens spontaan kunnen verleiden tot het nemen van een hartversterkertje.
Toen iedereen binnenscheeps een plek had gevonden startte onze stuurman de scheepsmotoren en de veredelde sloep zette zich krakend en vooral moeizaam zuchtend in beweging. Kreunend onder het gewicht van dertig mensen, die vooralsnog een gezelschap vormden dat nauwelijks geïnteresseerd leek in datgene dat de man probeerde te vertellen, kroop het bootje door de wateren van Zw. in O.
‘Onderweg hebben we nog een verrassing voor jullie,’ zei de stuurman en hij klonk niet erg overtuigend.
Het volk in de boot knikte goedkeurend. De stuurman probeerde boven het kakelend gezelschap uit te komen, waarvan vooral de als laatste aangemonsterde scheepsgangers zich het meest luidruchtig gedroegen. De stuurman deed zijn best, maar was kansloos. Toen hij alle vermogen uit zijn stem wilde halen, moest hij er heftig van kuchen, wat even later zelf overging in onbedaarlijk hoesten.
‘Sorry, ik heb een beetje last van mijn stem,’ zei hij verontschuldigend tussen de (hoest)buien door. ‘Ik hoop dat jullie mij hebben kunnen verstaan.’
Er klonk wat gemummel, waaruit ik kon opmaken dat dit niet het geval was. De man liet het erbij.
Even later maneuvreerde hij zijn bootje in de richting van een lage brug.
‘Hier worden we zo meteen opgewacht door onze plaatselijke kampioenbakker.’
“Mooi ”dacht ik. “Maar wat zou dat…”
‘Deze bakker heeft speciaal voor ons vandaag een verrassing,’ ging de man onverstoorbaar verder en even later daalde een netje met daarin twee gebaksdozen af naar de boot. De juffrouw die boven op de brug het touwtje liet zakken was er blijkbaar niet helemaal gerust op dat de exercitie foutloos zou verlopen en ging wel heel omzichtig te werk. Tergend langzaam zakten ze, die dozen met daarin de verrassing, wat eigenlijk geen verrassing meer was, want wat zou het anders kunnen zijn dan gebak.
‘De specialiteit van onze stadsbakker,’ zei onze stuurman, terwijl hij de dozen uit het netje nam en de juffrouw het teken gaf dat ze het touwtje met het netje weer kon ophijsen.
‘Wie wil me even helpen bij het verdelen? U meneer?’ En hij wees naar mij. ‘U zit precies op de goede plek, want onder uw bank liggen namelijk de plastic bordjes en vorkjes.’
Voordat ik het wist waren de dozen in mijn richting gecrowdsurft en daar zat ik dan. Met twee dozen met daarin gesorteerde gebakjes en een stapeltje plastic bordjes en vorkjes, die ik met veel moeite en mezelf in allerlei bochten wringend onder het bankje vandaan had gehaald.
‘Zo, dan varen we nu weer verder,’ zei onze stuurman zonder blikken of blozen, en mij met mijn dozen en bordjes en vorkjes aan mijn lot overlatend.
“Fijn,” dacht ik, waarna ik toch maar overging tot het uitdelen van de verrassing van de plaatselijke kampioensbakker. Eerlijk is eerlijk, het zag er goed uit. De afname van het baksel was zonder meer gretig, soms zelfs tot het hebberige af. Toen bijna iedereen was voorzien moest ik helaas constateren dat er onvoldoende bordjes en vorkjes aan boord waren en bij navraag zei de stuurman dat hij er toch echt van overtuigd was dat er voldoende waren ingescheept.
‘Dat zal wel, maar ik heb ze niet, ’antwoordde ik kortaf.
‘Nou ja, dan zullen er een paar van jullie het op de ouderwetse manier moeten doen, ik bedoel zo uit het vuistje,’ zei hij schertsend.
De dame schuin tegenover mij, die ik helaas ook niet van een bordje had kunnen voorzien probeerde onhandig een veel te groot stuk kwark gebak naar binnen te werken ( ze wilde nou eenmaal het grootste stuk) wat niet goed lukte. Het gebakje brak en viel uiteen op haar bloemetjesjurk, waarna de vrouw bijna hysterisch het baksel van zich af probeerde te schudden. De dame daarnaast zei vervolgens dat ze zo’n groot stuk ook niet op kon. Ik zat naar mijn klein ingedeukt slagroomhoorntje te staren terwijl ik het gemekker aanhoorde, want meer als dit misbaksel was er niet voor mij overgebleven. Toen de man even verderop begon te zaniken over het feit dat zijn handen zo plakten, kreeg ik de neiging om het hoorntje wat nog deels gevuld was met slagroom met geweld op zijn neus te drukken, maar ik beheerste me, vooral dankzij het ingrijpen van mijn vrouw. Ze kent me maar al te goed.
De boottocht heeft zich voorgezet en ik heb nauwelijks iets van Zw. in O gezien, want na de verrassing op de brug, ging de meerderheid van het gezelschap gezellig babbelend verder, daar waar ze vóór de verrassing mee waren gestopt, terwijl ondertussen mij met grote regelmaat de vuile vaat werd aangereikt.
‘Onder uw bankje ligt een vuilniszak,’ riep de stuurman, die daarna wijselijk zijn mond hield. Het was zinloos om over Zw. te vertellen. Niemand luisterde. Pas op het moment dat we weer op het punt waren aangekomen van vertrek en hij ging aanmeren, kwam er weer leven in de man.
‘Ik hoop dat jullie hebben genoten…’ zei hij, waarna er instemmend werd gemompeld.
Ik wilde eerst nog iets zeggen, maar dankzij een por in mijn zij, heb ik het maar bij gelaten
Zw. in O is een mooie stad, tenminste dat neem ik aan.
En wat mij betreft… tot over een jaar of tien ( misschien).

 J. Henneman