Henneman of Heijmans  

 

Jacob Henneman  -  GESPREK OP EEN TERRAS (3)

Gesprek op een terras (3)

Ik was voor een boodschapje naar de supermarkt geweest, toen ik op mijn weg terug een grijzende man tegen kwam, die in mij blijkbaar een goede bekende meende te herkennen.
‘Hé, dat is toevallig,’ zei hij spontaan.
Ik moest even nadenken en probeerde angstvallig te verbergen dat ik even niet het gezicht met een naam kon matchen. Sterker, ik had geen enkel idee wie de goede man kon zijn. Het was op dat moment voor mij zeker niet meer dan een niet door mij herkende bekende.
‘Goh, hoe gaat het met jou?’ vroeg hij joviaal. ‘Leuk je weer eens te zien.’
‘Uh, wel goed eigenlijk. Niets speciaals, zijn gangetje en dat is ook maar het beste. Gezond voor zover ik weet, en dan heb je meestal niks te klagen,’ antwoordde ik op de automatische piloot. ‘En met jou?’ vroeg ik vervolgens aan de nog steeds niet door mij herkende bekende.
‘Och, wat moet ik er van zeggen. Op zich heb ik ook niet veel om echt over te klagen, maar zoals bij ieder mens heb je wel van die dingen die je behoorlijk dwars kunnen zitten…’
Zijn antwoord schreeuwde om meer informatie.
‘Toch niks vervelends hoop ik?’ probeerde ik.
‘Nee, nou ja… wat is vervelend. Weet je, het had zoveel anders kunnen zijn. Maar ja, wat niet is, dat is niet.’
Ik was dus helemaal niets met mijn vraag opgeschoten, en na deze conclusie probeerde ik het nog maar eens.
‘Tja, soms zijn er zo van die dingen… en net zoals je net zelf zei, wat niet is, dat is niet, maar toch… je zou soms zo graag zien dat het even anders zou zijn gelopen...’ en ik hoopte dat hij hier op zou reageren met een duidelijk toelichting waarom hij vond dat het zo anders had kunnen zijn.
‘Heb jij dan ook zo iets bij de hand?’ was zijn vraag
‘Nee, dat niet. Maar hoe bedoel je? Ik snap je vraag niet helemaal.’
‘Nou, omdat je net zelf zegt dat je het zo graag anders had willen hebben… ’ zei hij met een vragende blik in zijn ogen.
‘Bij wijze van spreken, bedoelde ik…’
‘Dus, eigenlijk hoeft het voor jou niet anders?’
‘Nee, niet persé,’ antwoordde ik.
‘Oh…’
‘Nou ja, het kan altijd beter, maar ik ben prima tevreden,’ probeerde ik mezelf een houding te geven, want eigenlijk voelde ik me wel opgelaten, maar vooral wat sullig.
‘Zullen we samen een kopje koffie doen? Even verderop is een leuk terrasje,’ stelde de onbekende bekende voor. ‘Het is alweer zo lang geleden, dat we elkaar gezien hebben. Bovendien heb ik nu tijd genoeg,’ zei hij een beetje cynisch.
‘Ben je uitgewerkt…?’ vroeg ik voorzichtig.
‘Wat heet… boventallig noemen ze het tegenwoordig als ze niets meer aan je kunnen verdienen. Dan zetten ze je gewoon op straat.’
‘Ontslagen?’ was mijn totaal overbodige vraag.
‘Tja, wij allemaal.’
‘Allemaal?’
‘Ja, de hele afdeling. We konden kiezen of mee verhuizen naar Deventer of ontslagen worden. Alleen Herman is mee verhuisd. Die had nog familie in de buurt van Deventer, in Wijhe. Een zuster of zo, en daar kon hij zo lang een kamer huren. Maar de rest is ontslagen. Allemaal.’
‘Vervelend.’
‘Tja, vervelend… zo kun je het wel noemen.’
We waren ondertussen aangekomen bij het terras van het café om de hoek bij de supermarkt.
‘Zullen we hier dan maar?’ vroeg hij.
‘Prima.’
 
Na twee koppen koffie en na het aanhoren van zijn verhaal wist ik eigenlijk nog niet met wie ik van doen had. Er was helemaal niets wat mij op het juiste spoor had gezet tijdens zijn onophoudelijke en vooral onverstoorbare declamatie over wat er zoals aan het leven mankeerde. Ik voelde al met al mezelf behoorlijk oncomfortabel met de situatie. Nadat hij het laatste slokje koffie met veel gebaar bijna uit het kopje had gezogen, maakte hij aanstalten om op te staan.
‘Nou Peter, fijn je weer eens gezien te hebben,’ zei hij terwijl hij opstond. ‘En bedankt voor de koffie en voor je luisterend oor.’
‘Jacob,’ zei ik.
‘Jacob?’ was zijn reactie.
‘Ja zo heet ik, ik ben niet Peter.’
Hij haalde zijn schouders op.
‘Maakt mij niet zoveel uit, ik vond het leuk om je weer te zien en samen even een kopje koffie te doen.
Vervolgens gaf hij mij een stevige handdruk en slenterde weg, en liet mij achter in totale verbazing.
Was hij eigenlijk wel die niet door mij herkende bekende, of gewoon iemand die een praatje wilde maken, onder het genot van een kopje koffie?
 ‘Kan ik nog iets voor u doen meneer?’ vroeg de jongeman van het terras.
‘Uh nee, ik wil graag betalen.’
‘Dat wordt dan vijfvijfentwintig…’
‘Doe maar vier euro terug,’ zei ik terwijl ik hem een tientje gaf.
‘Dank u wel meneer en nog een fijne dag.’
‘Jij ook,’ antwoorde ik, terwijl ik mijn tas met boodschappen pakte en me nog steeds afvroeg wie de man kon zijn geweest. Ik zal er waarschijnlijk wel nooit achter komen.

 

 

J.Henneman