Henneman of Heijmans  

 

Jacob Henneman   Bijzonder... (02)

Bijzonder (2)

De man tegenover me, zat met een mistroostige blik naar de bodem van zijn bierglas te staren. Het leek wel of hij zijn laatste oortje had versnoept. Zijn ogen hadden dezelfde droeve uitstraling als van die honden( kan even niet op de naam komen) die ook zo’n blik hebben alsof alles tegen ze is. Een kennis van me heeft er zo’n beest gehad. Hij noemde hem Droef. Enfin, de man hing wat schuin op de barkruk en ik vroeg me af hoe lang het zou duren voordat hij met het lege glas nog in de hand naast de kruk zou belanden. Zijn situatie leek me namelijk verre van stabiel. Heel geniepig wedde ik met mezelf. De winnaar had recht op een vaasje. Een vaasje met bier, om alle misverstanden te voorkomen. Voor mij was het volstrekt helder. Hoe dan ook, hier ging ik hier als winnaar uitkomen. Zou de man blijven zitten, dan was er bier. En zou de man op de grond belanden, ook dan was er ook bier. Dat was dus een weddenschap van niets en te flauw voor woorden. Daarom nam ik het besluit om de aan mijn weddenschap gekoppelde prijzenpot te heroverwegen. De uitkomst van deze overweging werd; bij verlies (de man bleef zitten) zou ik direct huiswaarts keren. Bij winst (de man zou al dan niet met kruk en al omvallen) zou ik mezelf trakteren op een extra biertje. Ik wachtte geduldig op het moment dat de man met de mistroostige blik de cafévloer op zou gaan zoeken. Ik zat en was er klaar voor. Echter, soms kunnen minuten wel uren duren. Tenminste, dat lijkt dan zo. En hoewel ik er van overtuigd was dat het grote moment weldra daar zou zijn, gebeurde er voorlopig helemaal niets. Tot mijn grote verdriet bestelde de man zelfs opnieuw. Nu een borrel jonge jenever en een halve liter bier. De kastelein zette zonder er ook maar een woord aan vuil te maken het borreltje en het glas bier op de toog, en luttele tellen later ging de man zelfs weer rechtop zitten. Ik kon alleen maar mismoedig vaststellen dat als ik me aan mijn weddenschap zou houden, ik mijn cafébezoek binnen prompt zou moeten afbreken. Zo was de afspraak met mezelf.
‘Ze hebben vanmiddag mijn fiets gejat,’ zei de man met de mistroostige ogen plotseling, zomaar uit het niets. Even was ik in verwarring, want hij had zich blijkbaar met deze mededeling onmiskenbaar tot mij gericht.
‘Uh…tjonge, dat is vervelend. Is dat zojuist gebeurd?’ vroeg ik zonder gemeende interesse.
‘Nee, vanmiddag, dat vertel ik toch net. Hier voor het café. Nou ja, bij de lantaarnpaal op het hoekie, daar had ik ‘m neergezet, met kabelslot en al,’ ging hij verder.
‘En zeker nog een prima fiets ook?’ meende ik volstrekt nodeloos op te moeten merken.
Hij haalde tamelijk onverschillig zijn schouders op en dronk aansluitend een flinke slok van zijn halve liter bier. Het glas was na zijn actie nog maar half bol.
‘Dat is nou net het vreemde meneer. Mijn fiets is een kleine dertig jaar oud, en nog nooit heeft er iemand belangstelling voor gehad. Waar ik ‘m ook parkeerde, nooit heeft er iemand met zijn jatten aan mijn fiets gezeten. Dat ding heeft geen lamp, geen achterlicht, is zo roestig als mijn tante van negentig, de trappers slaan door en de remmen werken nauwelijks. Je moet het ding kennen, om er op te kunnen fietsen. Ik wilde vanmiddag naar huis gaan, en weg was mijn fiets. Snapt u het? Nou dan snap ik het ook. Enfin, toen ben ik maar weer hier naar toe gegaan, een mens moet toch iets. Ik was er helemaal ondersteboven van. En weet je meneer, soms kan een glas bier het verdriet enigszins verzachten.’
‘Zeker, al is het dan maar het verdriet over een gestolen fiets,’ meende ik op te moeten merken.
Mijn vermeende lolligheid zette zijn blik terstond op onweer, maar daar bleef het bij. Hij reageerde niet op mijn opmerking en ik probeerde direct mijn weliswaar onbedoeld sarcasme enigszins af te zwakken.
‘Maar hoe dan ook, dit is inderdaad wel heel bijzonder meneer,’ ging ik verder. ‘Je zou toch denken dat men zo’n roestige aftandse fiets wel met rust zal laten.’
‘Ho ho meneer, roestig oké, maar aftands… Nee, dat gaat me nou net te ver. Ik kon het er in elk geval nog prima mee doen.’
‘Uh natuurlijk. Sorry, zo was het niet bedoeld,’ zei ik blozend.
‘Tja, zo gaat dat tegenwoordig. Dat is nou eenmaal niet anders. Maar niettemin kan ik daar wel boos over worden. Ze moeten met hun poten van andermans spullen afblijven.’
‘Heren… kan ik nog iets voor jullie betekenen?’ vroeg de kastelein, en ik vond zijn timing perfect.
‘Doe voor mij nog maar een biertje Harry, en ook eentje voor die meneer. Je lust toch nog wel een biertje?’ vroeg de man met de mistroostige blik op een allervriendelijkste manier.
‘Oké, maar dan is de volgende voor mij,’ zei ik stoer. ‘Dat is wel het minste wat ik voor u kan doen.’
Vier biertjes verder voelde ik mezelf schuldig omdat ik ondanks het verliezen van mijn eigen weddenschap toch volkomen onterecht aanspraak had gemaakt op de hoofdprijs. Daar waar ik naar huis had moeten gaan was ik gebleven… en veel langer dan gebruikelijk.

Ik stond op het punt om het laatste bodempje bier uit mijn laatste glas te consumeren, toen er een grote blonde jongen het café binnenkwam.
Met “ha pa” begroette de jongeman de man met de mistroostige ogen.
‘En…vandaag nog wat bijzonders gedaan jongen?’ vroeg de van-zijn-fiets-bestolen man aan de bar zonder op te kijken.
‘Nee, niet echt. Nou ja, we hebben de hele middag oude fietswrakken uit het centrum verwijderd. Tjonge, wat mensen toch allemaal niet achterlaten…’
Even wilde ik reageren, maar het leek me beter om maar op te stappen. Nadat ik had afgerekend liep ik naar buiten en had eigenlijk ook wel een beetje spijt. Want hoe zou het gesprek tussen vader en zoon verder zijn verlopen? Met die onbeantwoorde stapte ik op mijn fiets en trapte huiswaarts. Het begon net te regenen.
‘Eigen schuld Henneman, had je jezelf maar aan je weddenschap moeten houden…’ mompelde ik.


Jacob Henneman

 

 

 

 

 

 

 

 

                  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

Jos Heijmans