De 133 gedachtenkronkels van de wonderlijke Boris Borowitsj

 


Kronkel  41  1946 Tous les hommes sont mortels (Simone de Beauvoir)

 

1946 Tous les hommes sont mortels ( niemand is onsterfelijk)


Wat brengt een leven zonder dood

Niets meer of minder, geen eer noch roem

Want steeds wordt alles weer ontnomen

Er rest geen vriend, noch een lief dat in rouw de dagen slijt

En geen woord van warmte of van troost wordt uitgesproken

 

Er is geen angst om te sterven

Want de dood gaat steeds voorbij

Maar weet, alleen een lied kan overleven

Dat verhalend in kille woorden over eenzaamheid

De verloren liefdes en de bittere tranen niet doet vergeten

 

Fosca, negeer de tijd

Laat het leven voor wat het is

Het maakt niet uit

Het doet er niet langer toe

Laat het los, laat het gaan

En je zult vrij zijn

 

Want geen enkele tijd zal ooit de jouwe zijn

En de geschiedenis zal vervagen in jouw hoofd

Jouw gedachten over alles wat is geweest

Doen het geluk van morgen en vandaag verbleken

En maakt wat komen gaat o zo voorspelbaar en saai

 

Want Fosca, laat jouw schepen varen

En alle zullen ze met man en muis vergaan, behalve jij

Voer je oorlogen, en vecht jouw harde strijd

En men zal al jouw vrienden doden, behalve jou

Roep de revolutie uit en strijd op de brandende barricaden

Want niemand werpt die van jouw omver


 
Raymond Fosca, al heb jij haar nog zo lief

Onvoorwaardelijk, met heel je hart en ziel

Je zult haar moeten laten gaan

Dat is jouw lot, je hebt niets te kiezen

En steeds opnieuw zal jouw hart verliezen

 

Raymond Fosca, drink met je vrienden

Zing en hef samen het glas

Koester die momenten

Want straks drink je alleen

En zijn er alleen maar lege glazen om je heen

 

Je vraagt je af, steeds maar weer

Waarom moet een mens eigenlijk sterven?

De antwoorden… nee, die krijg je niet

En wat zal het eeuwig leven jou uiteindelijk brengen?

Ach een toekomst… nee, die heb je niet

Maar weet, onsterfelijk zijn brengt alleen chagrijn

Het schrijnt, het benauwd en het doet pijn

En dat is wat jou daarom zo intens doet verlangen

Naar dat eindig leven, en naar die eeuwige rust

Waar in de prille morgen, bij het afscheid nemen

Jouw lief heel innig jouw ogen en jouw lippen kust 

 

han meijs